terug

Octavius

(Kerst)Verhaal door Otto de Bruijne

I
‘Wij gaan een kerel van je maken!’ riepen zij mij toe…
Ik, Octavius, mijn eerste soldatenjaar in het 12e Italiaanse Legioen, 16 jaar oud.
Wat was ik trots op mijn wapenrusting: de gordel en de helm met de leeuwen, mijn harnas, militaire sandalen en vooral mijn schild en zwaard!
‘’Vandaag gaat het beginnen. Niet denken! Doen! Orders zijn orders…en wij marcheerden af naar een gat iets buiten Jeruzalem, Bethlehem…’
De beelden hebben een leven lang door mijn hoofd gespookt…
De kleinen…onschuldige jongens van Bethlehem…
Ik was zelf nog een kind…16 jaar, mijn eerste echte actie, op last van de koning…Jongen met een vlijmscherp zwaard…

Ik zie die andere jongen…was hij 17 of 18?
Trotse vader van een zoon…
Herder in dat onnozele dorp, in dat boerse buitengewest, Palestina waar ik als
Legionair gelegerd werd…
De angst in zijn ogen. Het roepen van zijn schelle stem. ‘Niet mijn jongen !!!’
Hij omklemde zijn pasgeboren jongen…
Ik trok aan het kind en sloeg met mijn korte zwaard een streep over zijn gezicht…
Het bloed spoot eruit, hij liet het kind vallen en
Ik zie het nog verbaasd naar mij op kijken…
Toen werd alles zwart…in verstandsverbijstering heb ik nog drie, vier…
We marcheerden brallend terug naar de kazerne in Jeruzalem, waar we het de rest van de nacht op drinken zetten…er was wildbraat…alles wat we maar wilden…
Maar ik werd achtervolgd door het gezicht van die jonge vader..en de verbaasde ogen van het onschuldige kind…
Die beelden hebben mij veel, heel veel nachten van mijn leven achtervolgd…
Als een spook uit de duisternis…
Ik vluchtte in ruwheid…en wij bralden voortduren: het waren maar stomme herders,
Opstandelingen…rebellen…een gevaar voor de staat!
Maar ik raakte die ogen niet kwijt…

Nu ben ik een leven ouder. Ver in de zeventig. Gepensioneerd Legaat te Rome…
Een leven lang trouwe dienst in Palestina,
Na het vertrek van de gehate Jodenhater Pontius Pilatus werd ik tot Tribuun benoemd.
En de laatste vier jaar diende ik als Legaat, bevelhebber van het hele Italiaans Legioen…toen mijn welverdiende rust in een mooie villa buiten Rome, een droom…
Tot mijn huidige gevangenschap een week geleden…
Een zeven en zeventig jaar oude man achter de tralies…
Waarom?

II
Het begon tien jaar geleden…
Een heerlijke koele septemberochtend…na een smoorhete zomer.
De zon kwam op achter de heuvels, de olijfbomen stonden in een stille ochtendmist…het zonlicht scheen door de damp en liet de dauw op het hoge gele gras glinsteren…
Ik prees mijzelf gelukkig terwijl ik op de veranda naar buiten over de velden keek. Ja, de goden waren mij gunstig gestemd geweest…
Opeens werd ik uit mijn gelukzalige mijmering opgeschrikt door Jaspis mijn huisslaaf:
Heer, mijnheer, er staat een bezoeker aan de deur…
- Bezoeker? Op dit uur? Wie is het?
Hij staat er op zich alleen aan uzelf voor te stellen…
-Hoe ziet hij eruit…?
Arm gekleed maar …met de houding van een koning…
Hij is – met uw welnemen – een senex, een oude man, mijnheer – zoals u…misschien iets ouder…maar fier en recht op zijn benen.

ik aarzelde…de prille maagdelijke ochtend was gebroken…de dag begonnen…en mijn nieuwsgierigheid gewekt. ‘Laat hem binnen, hier op de veranda.’
Even later stond hij daar…bij de pilaren van het atrium…wachtte op mijn teken om naderbij te komen…
Recht op, als keek hij dwars door mij heen naar andere verten…zijn ogen zo zwart, levendig en als heldere diepe bronnen…Zijn scherpe neus, het zilvergrijze haar naar achteren…en over zijn wang, schuin over het voorhoofd een strakke streep van een litteken…
Een huivering trok door mijn rug…hij was het!..was hij het?
Op dat moment deed de oude een paar stappen in mijn richting…ik week naar achteren, Jaspis zag de spanning en wilde naderbij schieten maar ik wenkte hem op zijn plaats te blijven…

De oude man stond stil, op vier passen afstand…zo stonden wij tegenover elkaar…
Salve Ceasar…
Hij antwoordde niet.
Ik vervolgde: ‘wat brengt u hier, wie bent u?
Vader van…- een brok schoot in zijn keel…zijn ogen werden vochtig- …vader van Elimelech, Nathan van Bethlehem…
Op dat moment zag ik alles in een vreselijke schicht opnieuw voor mijn geest terwijl ik hem strak aankeek…
Toen hij Nathan zei, zag ik mijn zwaard weer over zijn gezicht gaan, de ijselijke gil, het vallen van zijn zoon…de verbaasde kinderblikken en het vreselijke daarna…
Het erbarmelijk huilen van deze man…om zijn zoon, om de pijn in zijn gelaat…
Nu stond hij tegenover mij…
Ruim zestig jaren later…


III
Mijn leven lang heb ik u gezocht, Octavius,
Jij die mijn leven verwoest hebt…
Na die gruwelijke nacht in Bethlehem, heb ik mij aangesloten bij het gewapend verzet…had maar een doel: jouw dood! Jou een wrede dood te laten sterven…wraak!
En kon ik jou niet vinden, dan zag ik mijn kans schoon om anderen te grazen te nemen…
Maar mijn leven was voorgoed kapot, een vlucht in bitterheid en haat, en telkens werd ik opgeschrikt door wat ik meemaakte anderhalf jaar voor die nacht dat jullie in ons dorp kwamen…
Het was tijdens Sukkoth, het loofhuttenfeest, en wij waren buiten in het veld…de laatste weken voordat wij de schapen naar hun winterstal zouden brengen…
Midden in die nacht, terwijl we wat zaten te dobbelen bij het vuur, schrokken wij plotseling op door een enorm licht…alles, werkelijk alles werd beschenen alsof het klaarlichte dag was…in dat licht zagen wij de gestalte van een mens, een wezen als een mens, een engel…die in onze eigen taal, duidelijk hoorbaar zei:
‘Wees niet bang want ik breng goed nieuws, dat het hele volk enorm blij zal maken. Vandaag is in de stad van David voor jullie de redder geboren. Hij is de Messias, de Heer…en dit zal voor jullie het teken zijn: jullie zullen een pasgeboren kind vinden dat in een doek gewikkeld in een voederbak ligt’
Nog hadden we die woorden niet gehoord of plotseling was de hele hemel vol met honderden, nee ontelbare wezens van licht die zongen: ‘Eer aan God in de hoogste hemel en vrede op aarde voor alle mensen…’
Wij hebben dit gezien en gehoord. Het was een lichtende wolk van wezens die langzaam ronddraaide, en als een soort spiraal omhoog ging zich vernauwde, kleiner werd…Wij bleven als aan de grond genageld naar de hemel staren tot we de laatste bewegingen zagen verdwijnen..pas toen nadat onze ogen weer in het donker de sterren zagen twinkelen, merkten wij dat wij elkaar allemaal vasthielden…en zonder een woord te zeggen keken wij bijna tegelijk naar de winterstal aan de voet van de heuvel…en haastten wij ons in die richting…bijna hardlopend, inhoudend omhoogkijkend alsof het licht ieder moment terug kon komen…op honderd passen afstand hoorden wij een kind huilen en pas toen zetten wij het op een lopen alsof iedereen het eerst wilde zijn.
Sjimon opende de stal en wij dromden achter hem naar binnen en zagen een jong meisje, zij keek wat verlegen naar de grond en in de voederbak haar zojuist geboren kind, achter haar een man ongeveer zo oud als Sjimon, tegen de dertig…
Wij waren stomverbaasd…het kind was stil en snikte nog wat na…
Toen was het weer Sjimon die voorop ging…langzaam ging hij op de knieën en wij volgden…de een na de ander…ik ook.
Sjimon begon hakkelend en stotend te vertellen wat wij boven op de heuvel hadden meegemaakt…hoelang we daar waren weet ik niet, maar we zijn linea recta naar Bethlehem gegaan en hebben het overal verteld…iedereen was opgewonden totdat een paar oude mannen ons het zwijgen oplegden: Genoeg! zeiden ze…je weet dat dit verhaal ons de kop kan kosten…Herodes heeft zijn twee zonen vermoord omdat hij bang was zijn troon te verliezen en hij deinsde er niet voor terug zijn eigen vrouw te doden als het om de macht gaat…denk je dat dit ons dorp zal voorbijgaan als hij hoort van de geboorte van de messias…zwijg hierover!
En we hebben het geweten…
Jij hebt het op je geweten…
Nu kwam hij een pas dichterbij en ik deed een stap achterwaarts…
‘Wat ik je wilde zeggen Octavius, ik heb vurig uitgekeken naar het moment waarop ik wraak kon nemen, maar nog vuriger was het vuur van die nacht met de engel en het kind…Vrede…
Ik heb geprobeerd alles te vergeten en niets anders te doen dan mijn kleine jongen, mijn kind, onze eerst- en eniggeboren zoon, te wreken…ik heb moorden op mijn geweten op onbenullige jonge Romeinse soldaten van de Italiaanse garde…als ze maar even op jou leken waren ze mijn favoriete doelwit…maar jouw hoofd bleef mijn grote doel…
Maar ik werd uiteen gerukt door twee vuren: Het vuur van mijn wraak, en het vuur van de engelen, die Vrede zongen.
…het kind in de voederbak…en mijn haat en wrok…mijn eigen kind…om hem vermoord als eerste martelaar…voor de Messias…

Ik heb die jongen - toen hij inmiddels Rabbi was. Hij dertig, ik vijftig - gezien op zijn laatste dag in Jerusalem.
Ik heb geroepen ‘Kruisig Hem!’, omdat mijn leven door Hem kapot gemaakt was… kon ik jou, Octavius niet vinden, dan zou Hij toch op zijn minst voor jou in de plaats moeten sterven: Hij: de oorzaak van mijn ellende!

Maar toen Hij eenmaal hing zag ik hoe Hij stierf:
Een en al liefde…
Ik heb Hem horen bidden: ‘Vader vergeef hen…’
Het werd donker, de aarde trilde…de paarden van de soldaten waren onrustig en met grote moeite in bedwang te houden…het onweerde…en ik hoor de Romeinse hoofdman zeggen: geen mens…een zoon van God…het is waar!
Toen hoorde ik de Romeinse bevelhebber roepen: ‘Vere, Filius Dei est! Het is waar: Deze is zoon van God!’
Een Romein die boven het tumult uitroept dat een jood zoon van de Allerhoogste was heeft mij zo diep getroffen…Ik zag de engelen voor mij: Heden is geboren, de Messias, jullie Redder, in de stad van david!

Weken later bij zijn volgelingen gevoegd…en op een dag zijn stem gehoord, …Hij stond zelf, lijfelijk in ons midden in een huis in Jerusalem…en Hij keek mij aan. Zijn ogen zeiden: ‘Nathan, jij hebt geroepen: Kruisig Hem in plaats van Octavius…Nathan, ik ben inderdaad voor Octavius gestorven…Ik heb zijn dood gedragen…Ik heb jouw moorden gedragen, jouw bitterheid, jouw verdriet…’
Ik heb mijn leven uitgehuild…leeggehuild en elke traan die ik huilde liet geen leegte achter maar werd gevuld door vreugde, overstelpende vreugde…
Ik ben opnieuw geboren…zo jong als mijn kleine Elimelech…ik stierf en stond op…ik zag mijn kleine jongen bij al die engelen in de hemel zingen: Ere zij God…
Vanaf dat moment heb ik jou, Octavius, anders gezien, en anders gezocht.
Ik spaarde al mijn geld om naar Rome te reizen om je dit te zeggen…

IV
Tijdens zijn verhaal was Nathan dichtbij mij komen staan en nu knielde hij langzaam neer en sprak zacht: ‘Vergeving’
Octavius…het is weg, het is alles weg: vergeven.
Chrestos Yesous, Messias Yeshua, Hij is voor mij, voor jou in de plaats gestorven…Hij heeft mij vergeven…vergeeft jou…
In mijn gedachten stond ik met mijn zwaard in de zwarte nacht van Bethlehem en zag de verbaasde ogen van de kleine Elimelech in zijn laatste levens-tel…
Ik zie het zwaard terugtrekken…ik kijk omhoog…hoor het krijsen van moeders en kermen van stervende kinderen…
Mijn ogen vulden zich als voor het eerst met tranen, ik snikte…
Jaspis wilde de oude Nathan wegsturen om mijn gezicht te redden maar ik weerde hem af, ging langzaam op de knieën.
Mijn ogen waren nu tegenover die van Nathan…mijn handen zochten, zijn handen vonden mijn handen en zo…hoe lang het duurde weet ik niet, zo hebben wij samen als jongens gehuild. Elkaar aangekeken, wisseling van spijt, smeltende pijn, de spanning van een leven vloeide weg en gaf plaats aan overstelpende vreugde…
En Nathan fluisterde steeds: Shalom, Pace…
En ik hoorde mij zelf zeggen: Chrestos Yesous Kyrie eleison…ontferm U…
en een onzichtbare hand werd op mijn schouder gelegd en verwarmde mij van hoofdkruin tot mijn voetzolen…wij trokken elkaar op, stonden tegenover elkaar…

V
Mijn leven veranderde. Nathan kwam ik af en toe nog tegen in de gemeente van Rome…Tot op die dag dat Ceasar als door een duivelse geest bezeten van de ene op de andere dag begon met razzia’s onze mensen vastzette, en ter dood bracht…ons gebruikte voor zijn zieke spel in de arena’s, ons als verlichting bij de avondspelen gebruikte, levende fakkels, tot groot enthousiasme van het publiek…en tenslotte greep hij ook mij…een van de hoogste militairen…op zeven en zeventig jarige leeftijd…zes dagen zit ik hier in deze elite-gevangenis, een zwaar bewaakte villa, en wacht op wat komen gaat…
Maar de Allerhoogste is goed
Ik hoorde in de kamer hiernaast een andere gevangene luid en duidelijk een brief dicteren. Ik kon een lach niet onderdrukken…de man moet zelfs hier vol humor zitten: Hij liet opschrijven waar ik zestig jaar geleden zo trots op was…Als of God mij nog eenmaal voorhield waar het op aan komt:
‘Trek de wapenrusting van God aan….
Ik spitste mijn oren:
Trek de wapenrusting van God aan om stand te kunnen houden tegen de listen van Satan…onze strijd is niet tegen mensen maar tegen hemelse vorsten, de heersers en de machthebbers van de duisternis, tegen de kwade geesten in de hemelsferen…neemt daarom de wapens van God op om weerstand te kunnen bieden op de dag van het kwaad, om goed voorbereid stand te kunnen houden…
…stel je op…
Neem de gordel van de waarheid…
Het harnas van de gerechtigheid…
Aan je voeten de sandalen van volledige inzet voor het evangelie van de vrede…
Neem het schild van het geloof waarmee je alle brandende pijlen van de vijand kan doven
Draag de helm van je verlossing!
En het zwaard van de Geest, dat is Gods woord…

Ik slikte…ik oude man, ik Octavius, gevangene om Jezus…die zijn leven voor mij gaf.
Ik wil mijn leven om hem geven…om Yesous, Octavius, gevangene van Ceasar Nero…
Ik bid een oud gebed…
Neem mij gevangen Heer
dan ben ik waarlijk vrij
Mijn zwaard leg ‘k aan uw voeten neer
Opdat ‘k verwinnaar zij…
Als U mij bindtaan U
Kan ik in vrijheid gaan
Uw liefde moet mijn keten zijn
Dan overwin ik reeds nu…