Ver Gedichten

Ver
Gedichten

Otto de Bruijne

*

Vergedicht

Het droge koude woord
timmert de wereld dicht.
Hetzelfde woord gezongen en gedicht
opent een vergezicht.

Het naakte feit vermoordt
de liefde en het licht,
leven van gezongen woord,
geloven in een vergezicht.

Als dichter draag ik onverstoord
de speelse plicht
met licht en zwaar gewicht
te dichten van het hemels vergezicht

*

Ochtend

Ik dichtte
Nieuwe dag
Vederlichte
Kinderlach

En keek:
Morgenlucht
Roze bleek
Vreugdezucht

En snoof:
Ochtendgeur
Frisgroen loof
Zonnekleur

Ik dacht:
Onbeschreven blad
Onverwachte pracht
Zomaar gehad

*
Droom

Veel van mijn geloof lijkt dromen
tussen zoete hoop en bange vrees.
Dat God daar zelf tussenin zou komen
vrees ik misschien nog wel het meest

Ik droom gelovig van een wonder
maar schrik wakker als het komt.
Het is zo ongelooflijk bijzonder
dat het mijn vrome ik verstomt.

Het is Zijn stille inslag uit de hoge
waarin Hij, ongedacht en onverdiend,
zich in mijn angst en onvermogen
doet kennen als een ware vriend.

*

Spektakel

Het podium, verblindend licht,
digitale band en parelwitte koren,
mooie man, glad gezicht,
publiek dat enkel heil wil horen.

Zacht zwellen tonen, klinken zoete woorden,
‘t Is alles hemel, heil en heel wat klinkt
voor stakkers uit herstellingsoorden
voor kankerlijders en dat blinde kind.

Allen kwamen voor het flitsend wonder
dat in de reclame was beloofd
om’t even met God of desnoods zonder
Zij zochten kracht en niet geloof.

Strompelend in ijdele illusie,
zoekend naar vroom spektakel,
naar religieuze larie en bombarie,
effect, gevoel, beleving en mirakel

De profeet sprak:
‘God laat niet met zich spotten
houdt aan Zich de eer.
Wie met Hem spelen en ravotten,
velt Hij krachtdadig neer’.

‘Amen’, zei Jezus,‘maar mensen zijn verward,
Ik zoek dat ene mensenkind,
dat naar Mij zocht met ziel en hart,
ook hier, tot Ik het vind.’

*

Broeder Pijn

Nu komt er licht
zelfs in het donker
En uit mijn tranen
Groeit een bloem

Nu zie ik met gesloten ogen
kale rotsen wijken
voor jong groen

Wordt pijn een broeder?
Een teken van de goede weg?
Licht?Zelfs in het donker?

*

Levenshymne

Zoals muziek gebeurend klinkt,
opkomt en alweer verleden is,
zo klinkt het leven in de maten van de tijd.

Golven van de zee, verglijdende coupletten,
nooit gestold, altijd bewegend.
Gebeurend zijn, wordende woorden.

Mijn leven is gezongen woord.
Liefdeslied en levenshymne.

De eerste strofen warme gloed,
het statige refrein.
Totdat de klanken wijken,
en zich vermengen met het ruisen van de wind.
In de takken van het herfstbos.

De mist trekt op en nieuwe stemmen zingen,
Als voor het eerst en met nieuw vuur,
dit eeuwenoude lied van de liefde,
de hymne van het leven.

*
Alleen jij

Geef mij je hand.
Je liep alleen
en hebt alleen,
jezelf vermeden,
en zo de eenzaamheid gezien.

Ontbrak het je aan moed om
in Mij je echte zelf te zien?

Geef mij je hand
om samen het donker te verdrijven.
Wij zullen samen gaan.
Alleen jìj kunt het,
maar je kunt het niet alleen.

*

Witbrood met hagelslag

Een witte boterham met hagelslag
Dag aan dag aan dag aan dag.
Bruine vlokken op wit brood
doet mij als witte even denken
aan de hongerdood
die bruinen sterven.

Gewoon snijden, prikken en eten
Het zachte brood, het bruine puur,
kauwen, slikken en vergeten,
het leven bestaat uit zoet en zuur.

Tot het uit is met de pret
en God de zaak op orde zet.
Jona sprak: nog veertig dagen.
Nog twintig vromen of nog vijf,
moest Abram God om Sodom vragen.

Maar alles gaat zijn ongestoorde gang
van boterham tot boterham.
Tot op de jongste dag
het Brood des Levens opnieuw zal verdelen
een broodje met of zonder hagelslag
maar sowieso genoeg voor alle kelen.

Niet niks voor velen en te veel voor eén,
maar meer dan genoeg voor iedereen.

*

Kerst Atelier

Toen ik geboren werd
stond daar een ezel
met daarop een blanco stuk katoen.
Mijn ouders hebben toen
met verf van het palet
mijn naam onderaan dat doek gezet

Ze gaven mij de kwasten.
Zij gaven mij de verf.
En zeiden ‘hier is het katoen.
Jouw zelfportret, dat mag je zelf doen’.

Ik ben toen wild gaan smeren
met vloekend bruin, blauw, paars en rood.
Bij die ezel stond er nu het rund
dat dwaas met alle kleuren stunt.

Toen nam de Grote Meester een besluit.
Hij gaf een nieuw katoen
deed dat verpeste doek er uit
en zei:’ nu gaan wij het samen doen.

Jij bent de schilder
maar jij bent ook het doek.
Ik geef de verf, ik geef de kwasten.
Ik maak jouw stal tot een paleis.
Ik laat je zoeken en voorzichtig tasten
maar stel slechts een eis:
Bid bij elke streek een echt gebed
zo maken wij samen jouw zelfportret’

*

Humor

Zat van heidense ernst
werd ik christen
omdat ik humor zocht.

De crucifix snapte ik niet,
maar later begreep ik
dat Hij de bron van humor was.

Zijn nacht een schaterlach?
Zijn pijn een goed glas wijn?
Zijn strop een goede mop?
Zijn graf dat humor gaf?

Voor ik Hem kende,
kon er geen lachje af.
Ik was ernstig over mijzelf de baas
En dus vooral mijn eigen slaaf.
Over mij geen spot.
Ik was begin en einde.
Ik was god.

Toen stierf ik in het water
van de Jezus-dood,
en klonk er luid geschater:
‘ziezo, die kleine god is dood’

Gekruiste, dankjewel,
Dat ons lachen en dromen
door jouw tranen zijn gekomen.

*

Onthaasting

In stilte kan ik beter horen.
Knielend zal ik hoger staan.
Mijn hart wordt lichter dan tevoren.
Ik hoor Gods woord:
‘Ik zal altijd met je gaan’

*

Ontleuking

Ik wil een uur normaal,
een pauze van de leukigheid.
Onverbloemde taal.
Onbevangen tijd.

De facelift, hype en modetrend.
Alles wordt opgeleukt in schone schijn.
Wij zijn het gratis licht ontwend.
Gewone dingen mogen er niet zijn.

Ik dank U:

Voor simpel gratis zonnelicht.
Voor ongedwongen puur natuur,
gezicht en vergezicht,
voor zout en zoet en zuur.

Voor leven zoals leven is.
Voor smaak, gevoel en reuk.
Een mens als een belevenis.
Het doodgewone is zo leuk!

*

Plek

Waar is wat en wat is waar?
Wat staat er op z’n plek?
Die stoel die stond toch daar?
Of daar…ben ik nou gek?

Waar is wie en wie is waar?
Zij woonden twintig jaren op eén plek
maar gingen toch maar uit elkaar.
Zit dat in de lucht, of ben ik gek?

Waar zit wat en wat zit waar?
Bij Toos en Henk zit niets meer op z’n plek
Zij werd verbouwd tot hem en hij tot haar.
Zit ‘t in het weer of ben ik gek?

Wie neemt wie en wie neemt waar?
Men moordt en drijft de mensen van hun plek.
Men staat er bij en kijkt ernaar,
het maakt een heel volk gek.

Wie heerst waar?
Zit God nog op zijn plek?
Of zit ik daar
Dat is te gek.

*

Hoop

Cynisme is:
Te lui zijn om
weerstand te bieden aan wanhoop.

Cynisme is:
Buigen voor het zichtbare.

Wanhoop is:
Hoop die je slechts kunt zien.
Een vorm van slechtsziendheid.

Hoop is:
Weerstand bieden tegen wanhoop.
Niet buigen voor het zichtbare.

Hoop is:
Zien

*

Toe komst

Toekomst komt
als het verleden uur
als spotgoedkope duur.
Zo gaat een dag
als zeilschip overstag.

Als pennenstreek
de net voorbije week.
Zij lacht verwaand
over de lichtflits van een maand.
Een seizoen, een jaar, een eeuw
zijn slechts een godengeeuw.

De toekomst komt ons toe,
dat is een vast gegeven.
De vraag is HOE?

Door haar aan anderen te geven.

*

Zorgen?

Waar ik mij zorgen over maak?
Ik moet nu zorgen hebben om iets?
Iets in de wereld?
Ik kom d’r gewoon niet op.

Opeens weet ik het. Nee, toch niet.
Het lag op het puntje van m’n tong
En dan ontglipt het je, hè…

Iets met een A…armen?
Nee, dat was het niet…
B…bedelaars?
Nee, te voorspelbaar.
C…Ca, Cancer?
nee, zorgen komen nooit met een C.
Ik kom d’r gewoon niet op
Wacht. Ik weet wat: De wereld.
Ik maak me zorgen om de wereld.
Het gaat niet goed.
Neem nu de treinen
Die gaan niet meer op tijd
Een kwartier vertraging is geen uitzondering.
Waar maak jij je zorgen om?

Over mijn zorgeloosheid
Hoe kom ik er van af?
Niemand wacht op mij.
Maar iedereen wacht op niemand.
Het geamputeerde been van de saamhorigheid
wil lopen om te zorgen.
Fantoom gedrag.
Mijn ziel kan maar niet wennen aan het alleen zijn.
Zorgwekkend.

*

Stilte

Lege ziel zoekt haast.
Zappend, shoppend, kickend,
kauwend, scheurend, vluchtend.
Geluid tegen geluid.
Beeld tegen beeld.
Niets tegen niets.
Onrust tegen onrust.
Stilte tegen stilte.

En als zij lege, losse stilte vindt
tuimelt zij in kolken van onrust,
verbittering en zelfmedelijden.
Stilte bedreigt haar bastion
van haast en herrie,
stompt en slaat de leegte,
zet de klauwen in zichzelf.
Gillend smeekt zij om herrie,
geluid, beweging, haast,
dingen. Veel dingen.
Tot zij zich vermoeid in onrust
veilig waant.

Jezus zegt:
Kom bij Mij en ik zal je
meer dan stilte geven:…rust.
Mijn geest bedwingt jouw onrustige ziel.
Mijn stem en hand
richten jou op het licht,
verzadigen je ziel met vreugde,
en maken je aandachtig voor het heden.

*

Renée

Jij laat mij op mijn voeten staan!
Zwiebelaar en zwalkerman.
Gammelig in schuivelgang.
Als eerste pasjes op de maan.

Jij, ik, wij samen verticaal!
Als riethalm in de wind.
Als was ik weer een kind,
dat staat voor de allereerste maal

Heel even handen vrij!
Trots sta ik los, verbaasd, verheugd.
Jij als zekering voor mij.
Vrouw van mijn jeugd,
jij vleesgeworden deugd!

* revalidatie, 2006/2007

*

Rolstoel

Wie in een rolstoel is gezeten
ziet al het aards geploeg
en al het menslijk zweten
als hulpeloos gezwoeg.

Alsof het menselijk geslacht,
op deze aardknol vastgepind,
verlamd op haar bevrijding wacht
en weer beginnen moet als kind.

Maar, ach, de aarde rolt
als giga-invalidenstoel
door het heelal en holt
zinloos door zonder een doel.

Maar wie de rolstoel echt ontvliedt
en alle invaliditeit heeft overwonnen
is hij die in dit alles toch geniet
van hemelse en aardse bronnen.

*

Tomas

De zon schijnt achter de wolken
toch te schijnen.
Maar wolken willen zomaar niet verdwijnen.

Pas als zij, die wolken, wijken,
en schijnen wijkt voor blijken,
geeft deze Tomas zich gewonnen
en ligt hij ook te zonnen

*

Talent

Hoe ik ook over mijzelf denk
ik ben en blijf een godsgeschenk.
Een gift van Hem
die alles heeft gegeven,
en die mijn stem
mijn doen en leven
niet oppot en bewaart
maar uitzaait in de aard’.

Dat geldt voor wakkeren en dementen
wij allen zijn Gods gaven en talenten

(In het verpleeghuis 2007)

*

Vrijheid

In de file stond hij in zijn Maserati
tussen een eend en een kadet
en was er soms een kleine spatie
dan spurtte hij wel twintig in zijn jet.

De gevangene in zijn enge cel
is blij met nieuwe tralies en een nieuwe deur.
Het geeft hem in die jaren toch een tel
bevrijding uit de dooie sleur.

Zo hebben monniken in hun kluis;
zieken in het lazaret;
doctorandi in hun rijtjeshuis,
binnen hun grenzen grote pret.

Vrijheid, beste vrinden,
is dus uiterst relatief.
Je moet het in je eigen hoekje vinden
en heb dat hoekje grenzeloos lief
*

Zin

Kleur tegen de grauwe sleur
Zing boven de dreunende machine
Verdrijf de stank met geur
En dans jezelf uit de routine

Plant bomen in de stad
Lach als de tranen winnen
Speel waar de ernst gewonnen had
Smelt ijs door iemand te beminnen

Nu alles om ons heen beton wordt:
Dien, tegen de verdrukking in.
Maak geven tot een topsport.
Heb zin en geef het leven zin.

*